OEY TJENG SIT

Oey Tjeng Sit in his house at the Prinsengracht 128, Amsterdam (1964)

De Amsterdamse apotheker-kunstenaar Oey Tjeng Sit (1917-1987) schrok er niet voor terug om bezoekers van, een kunstbeurs proppen krantepapier naar blikjes te laten gooien, kooien met papieren proppen in brand te steken, pakhuizen met hetzelfde materiaal op te vullen en zijn kunstwerken te voorzien van titels als ‘Fietsend tegen de wind in kun je wel eens vergeten dat het wiel is uitgevonden’, `Wie in een leeg zwembad duikt is eerder vergeetachtig dan kippig’ of ‘Het goud van een politicus zit in zijn kunstgebit’.
Oey Tjeng Sit, wiens naam Solide Helder Geel betekent, kwam ter wereld in Purwokerto (Java) aan de voet van de vulkaan de Kloet, die dit feit ‘op eruptieve wijze’ luister bijzette. In het Chinese Drakenjaar geboren was hij ontheven van de plicht om voor zijn ouders te zorgen en vertrok hij, na de Chinese school en de H138 in Bandoeng te hebben beocht, naar Nederland om farmacie te studeren. Na twintig jaar studie opende hij ‘Apotheek Oey’ aan de Prinsengracht 128, schuin tegenover de Westertoren. Van hieruit bestookte Oey, door Betty van Garrel eens omschreven als ‘een drakenmens met een passie voor Dada’, zijn buurtgenoten met kunst in ‘Oey’s Etalage’, een leeggeruimde apotheekvitrine. De in Oey’s Etalage opgestelde installaties en performances van door de apotheker daartoe uitgenodigde kunstenaars brachten de kunst buiten het circuit van galeries en musea, en leverden Oey de titel ‘nestor van de hoofdstedelijke window-art’ op. Het oeuvre van de autodidact Oey wordt gekenmerkt door een grote artistieke veelzijdigheid; na een periode van surrealistisch tekenen en schilderen legde hij zich toe op de lino-techniek, de collage en het uitgeven van boeken via zijn eenmansuitgeverij ‘De Vingerpers’.
In de collages (vaak met oostindische inkt en penseel) en installaties maakte hij veelvuldig gebruik van krantenpapier, waarvan hij het vluchtige, aan de actualiteit gebonden bestaan wilde verlengen. De krant riep bij Oey vele vragen op (bv. ‘Is het gewicht van het gedrukte nieuws meetbaar?’ en ‘Wat is houthoudender dan krantenletters?’), die hij beeldend tot uitdrukking bracht zonder een sluitend antwoord op de gestelde vraag te verwachten.
`Als er al een orde der dingen bestaat, dan is deze van tijdelijke aard’, schreef Oey, die zijn teksten graag liet ondertekenen door zijn alter ego ‘Hendrik Saboteur’.
Dit boek, dat Oey’s werk — lichtvoetig, speels en met een subtiel gevoel voor de verborgen esthetische kwaliteiten van het alledaagse — belicht, zou een duurzame bevestiging van deze uitspraak kunnen zijn.

Lees hier het artikel ‘Een Dompteur van de Vorm’ van Betty van Garrel over Oey Tjeng Sit uit 1988.